Carnaval. Limburgse kinders krijgen het al met de paplepel ingegoten. Of zoals in mijn geval: met paplepel en al de keel in geramd. Vroeger werd ik geschminkt en bij de haren meegesleept naar elke mogelijke optocht. Dan probeerde ik in het jassenhok mijn broodje frikandel te verorberen, terwijl moeders de polonaise stond te hossen.

Jaren later kon ik op de middelbare school ook niet ontkomen aan het feestgedruis. De muziek was er ondertussen niet beter op geworden – en als mooie bijkomstigheid moesten er nu ook nog hormonale zatlappen worden ontweken tijdens het verorberen van dat broodje frikandel. Je kreeg net zo makkelijk een tong in je keel gestoken als een hap eten.

Ik dacht altijd maar gelaten dat carnaval niks voor mij is. Dat ik dat belangrijke gen mis dat nodig is om te genieten van die geweldige verklede dagen. Ik ontdekte het geheim van carnaval pas laat. Er is geen carnavalsgen. Je hebt de flessen Schrobbelaer. Of wijn. Of bier. Alcohol aan je lippen en de nieuwste carnavalshit is opeens engelenmuziek. Drink een glaasje extra en die groep springende en hossende mensen zijn opeens je beste vrienden.

Carnaval is eigenlijk gewoon het verdrinken van alle jeugdtrauma’s, twijfels en vooral van alle remmingen. Nu nog even bedenken of ik graag verkleed wil gaan als hoerig bijtje, of als sexy Pink Lady. Of misschien juist als stoute agente? Glaasje wijn in de hand en doen alsof je niet rondloopt in lingerie die voor kleding door moet gaan. Daar is het toch immers carnaval voor?

Schudden met da kontje, snollebolleke! Doe ik het zo goed?

Nieuwe column voor Univers: https://universonline.nl/2015/01/29/deeleconomie/

Advertisements